Verzorging van de palmboom!
Temperatuur:
Palmbomen hebben veel licht en warmte nodig. Ze doen het uitstekend bij een temperatuur tussen de 23 en 30 graden Celcius. Ze mogen in direct zonlicht staan. Let wel op wanneer je een palmboom in pot van binnen naar buiten brengt. Breng de plant wekelijks geleidelijk aan naar een warmere en zonnigere omgeving zodat het blad zich kan aanpassen om “verbranding” te voorkomen.
Water geven
Een palmboom heeft bij warm weer veel water nodig. Een palm in pot die bij warm weer enkele weken geen water krijgt, sterft af. Een palmboom nooit volledig laten uitdrogen. Wanneer je voelt dat de grond droog is mag je meteen water bij geven.
Bij lagere temperaturen heeft deze boom uiteraard ook minder water nodig. Palmbomen in pot dienen gaten te hebben in de bodem zodat deze boom nooit in water blijft staan. Dit is zeer slecht en kan voor schimmels en voor verrotting zorgen. In Winter dient een palmboom geen of weinig water bij te krijgen.
Palmbomen die in volle grond staan dienen enkel bij langdurige warmte en droogte water bij te krijgen.
Geef je palmboom in pot best ’s morgensvroeg of ’s avonds water,wanneer de bladeren niet in volle zon staan. Nooit koud water geven , maar water op kamertemperatuur.
Overwinteren:
Vele palmsoorten die wij aanbieden zijn winterhard. Ze kunnen tot een temperatuur van – 15 graden Celcius. Veel soorten palmen zijn spijtiggenoeg niet winterhard.Naar gelang het geslacht stellen palmen eisen aan de standplaats. Er zijn palmsoorten, die redelijk goed tegen kou kunnen (Chamaerops excelsa, Corypha australis, Phoenix canariensis, Areca sapida, Areca baueri, Seaforthia elegans, Jubaea chilensis, Nannorrhops ritchiana, Rhapidiophyllum histrix, Sabal minor, Sabal x texensis, Serenoa repens, Trachycarpus fortunei, Trachycarpus fortunei 'Charlotte', Trachycarpus fortunei 'Queensboro', Trachycarpus nanus, Trachycarpus takii) en Trachycarpus wagnerianus.
Palmen die in de winter wel warmte moeten hebben, zijn onder andere Brahea armata, Butia capitata, Chamaerops humilis, Livistonia chinensis, Sabal mexicana, Cocos weddelliana, Cocos flexuosa en Cocos nucifera. Deze laatste palmensoorten moeten in de winter absoluut worden ingepakt.
Vertrouw er niet op, dat palmen goed winterhard zijn; pak ze dus altijd in. Behalve het inpakken van een palm is het nodig de grond rondom de voet goed te bedekken met een dikke laag blad.
Verpotten:
Een palmboom dient af en toe verpot te worden.
Als de wortel de palm begint uit de pot omhoog te duwen, of als de pot volledig doorworteld is (te merken aan meerdere wortels die door de draineergaten komen onderaan), dan is het tijd om te verpotten naar een grotere pot. Ook aan de verhouding palm / pot is dat te merken: als het bovengrondse (zichtbare) deel van de palm meer dan drie keer zo hoog is als de hoogte van de pot, dan staat de palm mogelijks te klein. Best is om een pot te kiezen die 20% groter is dan de oude, zowel in hoogte als in diepte. Verplanten gebeurt best in het vroege groeiseizoen. Opletten dat we de palm niet te diep of te hoog zetten. Palmen zijn zeer gevoelig aan de exacte hoogte van de onderkant van hun stam. Meestal is dit te herkennen aan een kleine bolvormige verdikking aan het begin van de stam, net boven de wortels. Dit "bolletje" moet net op de grond staan, niet dieper. Tenzij bij Trachycarpus, waar we 2 cm dieper moeten kiezen.
Vele palmsoorten haten het om te worden verplant, en staan dan een tijd stil met de groei. Trachycarpus vertoont dit verschijnsel wel eens. Met de gehele wortelkluit, zo voorzichtig mogelijk uitplanten zonder de wortels te beschadigen, en in een gelijkaardig medium (potgrond met kleikorrels, ...) verplanten. De eerste keer aangieten met een oplossing van het groeihormoon dat in stekpoeder zit, en de palm zou vlugger moeten aanslaan.
Bodemsamenstelling en bemesting:
Een palmboom kan perfect in gewone potgrond geplant worden. Ook voor palmbomen dient de grond vochtdoorlatend te zijn aangezien palmen niet houden van een te natte grond.
Deze potgrond mag best vermengd worden met meststoffen en kleikorrels. De kleikorrels zorgen ervoor dat de voedingsstoffen in de grond goed verdeeld worden. De meststoffen geven de boom een voedselrijke grond om in te leven. Een palmboom heeft namelijk een grote behoefte aan een voedselrijke grond.
Ploeg regelmatig de grond om maar zorg ervoor dat je de wortels niet beschadigd. Een omgeploegde grond is goed voor de luchtigheid en verdeling van de voedingsstoffen.
Palmen groeien beter als ze regelmatig meststoffen toegediend krijgen. In de winter heeft dit weinig zin, bij koelere temperaturen en minder licht groeien ze toch niet (of niet optimaal). Maar in het groeiseizoen zie je merkelijk verschil als je meststoffen toedient. Bladeren van de palm worden geel bij een tekort aan voedingsstoffen. Het gaat een beetje samen met het water geven: dat moet ook meer gebeuren bij warm weer. Traag werkende meststoffen zijn veiliger dan snelle. Trage stoffen zijn bvb. korrels van Osmocote - die je door de potgrond kan mengen. Deze geven gedurende enkele maanden hun stoffen af aan de wortels. Ook gedroogde koemestkorrels zijn natuurlijke en traag werkende stoffen, die je bovenop de potgrond strooit. Snelle meststoffen zijn de vloeibare producten of andere snel oplosbare plantenmeststoffen, zoals de gekende groene, blauwe en roze korrels (van verschillende merken), die doorgaans boven op de potgrond gestrooid worden. Deze stoffen zijn uitermate geschikt om in het begin van het groeiseizoen de plant snel van stoffen te voorzien. Het gevaar bestaat echter dat er overbemest wordt, indien we te veel van deze "snelle" soort gebruiken. Overbemesten betekent dat er te veel zouten in de bodem gebracht worden, zodat er water aan de wortel onttrokken wordt (door het natuurlijke proces osmose). Om dit te vermijden zijn er twee oplossingen: ofwel de snel oplosbare kunstmatige stoffen slechts tijdelijk toedienen, en de bemesting laten overnemen na een tijdje door bvb. koemestkorreltjes, later op het seizoen. Ofwel doseren we de snel oplosbare stoffen heel precies. Dit kan door bvb. groene of roze korrel in lauw water op te lossen, a rato 2 gram per liter gietwater toe te dienen. Dit werd berekend uit het ideale, constante bemestingsregime (bij warme temperaturen): dat bestaat uit ongeveer 150 ppm (deeltjes per miljoen) van zowel stikstof als kalium, en ongeveer 1/3 van die hoeveelheid magnesium. Bij palmen die in volle grond staan, is het aangeraden om de bemesting te stoppen in augustus. Het is zinloos en zelfs schadelijk voor de plant om deze in een koele en natte herfst van onnodige stoffen te voorzien. Daarenboven is bemesting bij een palm in volle grond minder belangrijk - de wortels hebben alle ruimte om stoffen te vinden - en te veel meststoffen toedienen is schadelijk voor het milieu (grondwater en oppervlaktewater). Bij palmen in volle grond is eigenlijk een keer bemesten in het begin van het groeiseizoen (met een traag werkende organische meststof bvb.) voldoende.
Waar plaats ik mijn palm in de volle grond?
Eigenlijk zijn er maar enkele situaties te vermijden, en al de rest kan. Volle zon of zelfs halfschaduw is goed, volledige schaduw is te vermijden. Een plaats met een slechte drainage dient vermeden, stilstaand water aan de wortel is schadelijk. Heb je geen andere plaats ter beschikking, dan kan je een drainagebuis proberen, of een dieper plantgat uit te graven, en onderaan op te vullen met grind (of een ander doorlaatbaar materiaal). Een erg winderige plaats is evenmin aan te raden, de bladuiteinden plooien bij harde wind, en de plant krijgt dan een slordig uitzicht.
Een zuidmuur is een ideale plaats om twee redenen: het groeiseizoen is langer bij dergelijk microklimaat. Zonnewarmte die overdag werd ingevangen, wordt 's nachts aan de palm teruggestraald. Ditzelfde fenomeen houdt de palm (en de bodem in de omgeving) droger in de winter. Minder vocht in de winter betekent ook minder kans op vorstschade.
De palm voorzichtig uit de pot verwijderen. Indien de plant niet uit de pot kan schuiven (als de wortel klemt) is het best om de pot stuk te maken, dit om met zo weinig mogelijk schade de wortel vrij te maken. Graaf een plantgat uit, iets groter en dieper dan de wortelkluit. De palmen dienen geplant op afstand van minimum 1,5 meter van een muur, en liefst op een onderlinge afstand van minimum 3 meter. Onderaan het plantgat mag desnoods een waterdoorlatende laag grind, daarop wat potgrond. Het gat moet nu net die diepte hebben, zodat de onderkant van de stam gelijkgronds uitkomt. De stam mag zeker niet in de grond (te diep dus) worden ingegraven, zelfs niet gedeeltelijk. De plant dient in het plantgat gezet, waarna de zijkanten van het plantgat dienen aangevuld met potgrond. Stevig aandrukken, en goed aangieten met klaar water.
Een palm met een hoge stam die pas uitgeplant werd, kan best eerst enkele maanden ondersteund worden, om te vermijden dat hij scheef zakt of loskomt (door de wind bvb.). Dit kan met een diepe, mee ingegraven paal, met met spantouw of met planken. Na enkele maanden, als de wortel voldoende gegroeid is, kan de (meestal niet erg estethische) ondersteuning verwijderd worden.
Zowel voor het verplanten naar een grotere pot, als voor het uitplanten in volle grond, is het begin van het groeiseizoen het best. Dat is grosso modo april - mei.. Een potplant kan best pas buiten uitgeplant worden als die een stammetje ontwikkeld heeft, een leeftijd van ongeveer 4 jaar is voldoende.
Snoeien:
Verwijder enkel de gescheurde en rotte bladeren van de palm, dit tijdens het voorjaar.Maar laat wel een stukje van de steel aan de stam zitten. Knip het dus iets verder af om te voorkomen dat de stam wordt aangetast of vervormd.
Je kan de stam ook wat"opsnoeien", of een hogere stam snoeien. Dit gebeurt best in het begin van het groeiseizoen. Het snoeien forceert nieuwe groei bij de palm, indien we dit te laat op het jaar doen, wil de palm nog groeien als de temperaturen te laag zijn.
In de zomer tijdens de hete temperaturen staat de groei van de palm stil. Tijdens het voor en najaar groeit de palm echter goed. Bij langdurige hitte en vooral in de warme landen kan de groeistop van de palm vermeden worden door extra water en meststoffen te geven.
